|
|
Dynamo informatie pagina |
|

| Dynamo vervangen en/of koolborstels |



| SPANNINGS REGELAAR |
![]() |
Dynamo 1 Bevestiging 2 Waaier 3 Lager 4 Poelie 5 Rotor 6 Stator 7 Regelaar 8 Veer koolborstels 9 Lager 10 Koolborstels 11 Sleepring
|
Dynamo
Een dynamo zet mechanische energie van een motor om in elektrische energie.
De dynamo levert wisselstroom volgens het inductieprincipe.
Aangezien deze dynamo alleen wisselstroom levert, zet een interne gelijkrichter
de geleverde wisselstroom om in gelijkstroom.
Meestal kan een dynamo gecontroleerd worden door de elektrische spanning tussen
B+ (pluspool van de accu) en massa te meten. De elektrische spanning moet
stijgen zodra de motor aanslaat, hetgeen aangeeft dat de dynamo werkt.
Gelijkrichting
Bij elektrische systemen van automobielen wordt alleen gelijkstroom gebruikt,
omdat de accu alleen gelijkstroom kan opslaan.
De wisselstroom die wordt opgewekt door de dynamo moet omgezet worden. Het
proces voor het omzetten van wisselstroom in gelijkstroom wordt gelijkrichting
genoemd.
In de gelijkrichter worden diodes gebruikt om de wisselstroom om te zetten in
gelijkstroom.
Er bestaan wisselstroom en gelijkstroomdynamo's.Omdat alles in de auto op
gelijkstroom werkt, is de dynamo dus ook voorzien van een gelijkrichter. En
omdat de dynamo geen constante spanning genereert, deze is n.l. afhankelijk van
het toerental, moet er wat geregeld worden; de spanningsregelaar. Deze regelaar
zorgt er voor dat als de spanning over de accu voldoende is, de accu niet verder
wordt opgeladen. Dit doet hij door de ankerwikkeling in de dynamo te onderbreken
van de accu.
De wisselstroomdynamo levert bij stationair toerental al snel 2/3 van zijn
maximale stroom. Het maximum vermogen wordt vaak bij 3500-4000 omw/min van de
dynamo bereikt. Bij veel motoren is dat al bij 1500 omw/min van de krukas.
Courante dynamo's leveren vaak al 45-100 Ampère laadstroom. Dit staat vermeld op
het dynamohuis.
De wisselstroomdynamo heeft een roterend gedeelte (de "rotor") dat met koolborstelselectrisch in verbinding staat met de buitenwereld. De rotor krijgt een gelijkspanning toegevoerd, die in de rotorwikkeling een magneetveld opwekt. Aan weerszijden van de rotorspoel bevinden zich ijzeren klauwen, waartussen zich het magneetveld bevindt. In de omtrek van de rotor gezien, wisselt de richting van het veld. Door de wisselende richting van het rotorveld, wordt in de vaste wikkelingen van de dynamo (de "stator") een wisselspanning opgewekt.
Deze wisselspanning wordt in het achterste gedeelte van de dynamo
gelijkgericht met vermogensdioden. De regeling van de hoogte van de laadspanning
vindt plaats met een veelal elektronische regelaar. Deze regelaar meet de waarde
van de spanning en bepaalt of de koolborstels (lees:rotor) wel, geen of een
gedeeltelijke spanning krijgen. Dit onderdeel, de regelaar, zit bij een SL/SLC
tussen de linkerkoplamp en de oliekoeler.
Tijdens het draaien van de dynamo wordt een klein deel van de opgewekte stroom
gelijkgericht in aparte dioden t.b.v. de rotor-bekrachtiging (de "velddioden").
Bij het opstarten van de dynamo is die stroom voor de velddioden er niet en zal
die van buiten moeten worden aangevoerd. Dat gebeurt via het contactslot en een
lampje als weerstand, het "laadstroomcontrolelampje".Bij het opstarten wordt via
het laadstroom-controlelampje energie toegevoegd aan de rotor van de dynamo via
de "D+" aansluiting. Als de dynamo een bepaald minimum toerental bereikt, zal er
voldoende vermogen in de dynamo worden opgewekt om de energievoorziening van de
koolborstels over te laten nemen door de velddioden. Het
laadstroomcontrole-lampje gaat dan uit omdat het aan weerszijden een nagenoeg
gelijke spanning krijgt. U begrijpt nu dat het laadstroomcontrolelampje van
cruciale betekenis is voor het functioneren van de dynamo.De Bosch-typen
dynamo's met ingebouwde regelaar regelen de min van de toegevoerde spanning aan
de rotor. Vrijwel alle overige merken en de Bosch dynamo's met losse regelaars
regelen de plus van de toegevoerde spanning aan de rotor.
| home |